Kansen pakken op de arbeidsmarkt

Gesprek met Ria Swinkels

Ria Swinkels is projectmanager bij de gemeenten Cuijk, Grave, Mill en Uden en Oss en projectmanager bij het loopbaancentrum van ROC de Leijgraaf. Ria is er in haar werk op gericht mensen in de bijstand naar arbeid te leiden. Op die manier  is zij betrokken bij veel statushouders die een uitkering krijgen.

“Mensen naar arbeid leiden” is wel wat kort door de bocht gezegd, want bij deze opdracht komen heel veel verschillende aspecten kijken. In het volgende verhaal komen een aantal aspecten aan de orde.

Heeft de gemeente bemoeienis met elke statushouder?

Ja, als het gaat om de eerste opvang. De gemeente helpt de inburgeraar bij huisvesting en verwijst elke nieuwe statushouder door naar Sociom voor de eerste opvang. Maar de afdeling Werk, Inkomen, Zorg, waar Ria werkt,  is alleen betrokken bij statushouders in de bijstand. Dat zijn lang niet alle statushouders. Er zijn ook statushouders die werk hebben gevonden bijvoorbeeld bij een uitzendbureau, in de dienstverlening, soms in de sport. Kluswerkers en oppasdiensten, tolken, servicegerichte zzp-ers, enzovoorts, enzovoorts.

Welke veranderingen zijn de laatste tijd opgetreden?

Het is van alle tijden dat gemeenten statushouders die in de gemeente komen wonen zo goed mogelijk willen helpen om in onze maatschappij te integreren. Maar over de manier waarop je mensen daarbij het beste kunt helpen, zijn in de loop der tijd de ideeen wel wat veranderd.

De veranderingen komen deels omdat onze maatschappij geleidelijk verandert: er is minder werkgelegenheid, er is minder geld bij overheidsinstanties. Ook is het zo dat gemeenten  steeds meer ervaring kregen op dit gebied en ook dat zorgde voor verschuivingen in de aanpak.  Aanvankelijk dacht men dat je een statushouder het beste hielp als je hem of haar eerst vooral de mogelijkheid bood om de taal goed te leren. Verder wilde men  zoveel mogelijk hindernissen voor de statushouder  uit de weg te halen. Nu denkt men vaak, nee, het werkt beter als het leren van de taal samen gaat met zo snel mogelijk in contact te komen met Nederlands sprekende mensen en Nederlandse gebruiken, en als iemand zo snel mogelijk  zelf dingen onderneemt om meer te integreren.

Wat was de belangrijkste verandering? 

Men is tegenwoordig huiverig voor wat men dan noemt  ‘hospitaliseren’: iemand kan er te veel aan wennen dat er voor hem gezorgd wordt en verliest dan op den duur alle zelfstandigheid, neemt zelf geen initiatief meer, wordt passief, afhankelijk. Deskundigen pleiten voor een nieuwe aanpak met als  trefwoorden  ‘eigen ondernemerschap’, en ‘het opbouwen van eigen netwerken’.


Er zijn daarom bijvoorbeeld taken  rond het inburgeringsdiploma bij de gemeenten weggehaald. De statushouder is  tegenwoordig zelf verantwoordelijk voor het behalen van dat verplichte inburgeringsdiploma. En de gemeente heeft er geen zicht meer op of dat bij iedere statushouder ook een beetje goed verloopt. Of dit zo blijft, valt trouwens te bezien. Een landelijk onderzoek heeft aangetoond dat veel inburgeraars het examen niet binnen de drie jaar halen die daar voor staat. Dat betekent dan weer dat de door hen aangevraagde studielening bij DUO niet komt te vervallen en dat zij daardoor met een flinke studieschuld komen te zitten. Dat is natuurlijk nooit de bedoeling geweest.

Meer dan vroeger ligt nu de nadruk bij gemeenten op het zoeken naar manieren om mensen zo kort mogelijk  in de uitkering te houden. Niet alleen omdat die uitkeringen veel geld kosten, maar zeker ook omdat het isolement dat vaak voorkomt als mensen niet werken, hen vaak niet gelukkig maakt. Dan wordt de uitkering een ‘gif’, dat aanzet tot levenslange passiviteit als er niet op tijd voldoende prikkels zijn om iemand  uit de bijstand te duwen en naar de arbeidsmarkt te trekken.
De gemeente wil daarom bij de statushouders een beroep doen op  hun aspiratie en competentie en focussen op wat statushouders de samenleving te bieden hebben.

Die aanpak geldt voor alle mensen in de bijstand. Een alleenstaande moeder, iemand die na jaren werk bij een reorganisatie werkloos is geworden, voor ieder geldt: hoe kan men zo goed mogelijk uit de uitkering komen. Inderdaad, statushouders hebben vaak veel te verstouwen gehad. De grootste leemte in het leven van een vluchteling zit hem in het feit dat hij ontworteld is. Weg uit land van herkomst, vrienden, familie, misschien een baan, en weg van de culturele vanzelfsprekendheden van hoe je het alledaagse leven aanpakt en ordent. Natuurlijk wil de gemeente daar goed oog voor hebben. Aanvankelijk dacht men nog dat vluchtelingen na een paar jaar zouden terugkeren naar het land van herkomst. Helaas heeft men die verwachting niet bij de landen waar de laatste jaren de meeste vluchtelingen vandaan komen. Wel is inmiddels de ervaring dat statushouders met  een baan in Nederland vaak sneller integreren en vaak daardoor ook sneller kans hebben om nieuwe wortels te krijgen.

Voor welke dilemma’s staat de gemeente bij de ondersteuning van passende opleidingen?

In Nederland is het lastig om een baan te krijgen zonder dat men de juiste opleiding daarvoor heeft. Stel: een statushouder zou graag laborant willen worden. In Nederland is de opleiding tot laborant een niveau 2 opleiding. Voor je op zo’n opleiding wordt toegelaten moet je aan bepaalde vooropleidingseisen voldoen. Het het kan wel vier jaar duren voor je zo ver bent dat je aan die opleiding kunt beginnen. En dan duurt het nog een paar jaar voor je de opleiding kunt afronden. Al die jaren blijf je dan in de uitkering en betaalt de gemeente je lesgeld, je boekengeld. Dat is een lange weg en succes aan het eind is niet zeker.

Je zou in deze situatie ook kunnen denken aan een andere weg: je zou eerst een kortere opleiding kunnen volgen waarbij de verwachting heel reeel is dat je na die opleiding direct betaald werk krijgt. Je zou dan, als je na die opleiding inderdaad werk hebt gevonden, en je wil nog steeds laborant worden, alsnog kunnen proberen de opleiding tot laborant te volgen, maar dan niet op kosten van de bijstand, maar door jou zelf betaald. Voor veel mensen in Nederland was het voorheen doodgewoon dat je zo gauw mogelijk ging werken en daarnaast een vervolgopleiding ging volgen en op die manier groeide in je baan.

 

Welke projecten heeft de gemeente opgezet?

Ria Swinkels is projectmanager van verschillende projecten waarbij het er om gaat mensen met een uitkering zo goed mogelijk te begeleiden naar concrete banen op het gebied van de logistiek niveau 1 en  schoonmaak niveau 1.
In die projecten wordt goed gekeken: wat is iemands vooropleiding, hoe is het niveau van iemands taalbeheersing, hoe is het met de thuissituatie van iemand. Vervolgens krijgt iemand  daarna een aanvullende opleiding  basisvaardigheden.  Hier is een link naar krantenartikelen over deze projecten, een uitgebreide beschrijving volgt in het najaar. 

Zie ook: Opleiding Logistiek ROC de Leijgraaf, september 2016: fotoverhaal  over de opleidingverhalen over de cursisten 

Bij deze projecten waren  er bij statushouders wel barrieres die overwonnen moesten worden. Een beroep als schoonmaker of glazenwasser kan voor hen soms een negatieve bijklank hebben. Vaak hebben mensen idealen over een zogenaamd ‘witte boorden beroep’ en voelt men minder voor beroepen waarbij je je handen moet gebruiken. Maar bij de laatste beroepen is er werk. Het is werkelijk jammer dat beroepen in de logistiek, techniek en in de schoonmaak niet wat meer status hebben. Het zijn vaak geweldige banen. En bij deze projecten krijgt men wel de weg naar een erkende opleiding.

Natuurlijk kun je bij sommige beroepen zoals kapper of verkoper gewoon starten zonder erkende opleiding. Maar als je een uitkering krijgt, ligt het wat anders. Heb je een uitkering en nog geen ‘startkwalificatie’ zoals dat heet, m.a.w. geen in Nederland erkende basisopleiding , dan ben je verplicht om die startkwalificatie alsnog te gaan halen. Het kabinet wil in ieder geval jongeren tot 27 jaar zoveel mogelijk stimuleren te leren. De gemeente streeft er daarom naar dat mensen met behoud van uitkering een opleiding gaan volgen zodat ze daarna kunnen voldoen aan wat genoemd wordt ‘de kwalificatieplicht’ en zodat ze hun niveau kunnen verhogen, en kunnen blijven groeien.
Wel kan men een opleiding combineren met betaald (deeltijd)werk.

 

Waar is er kans op werk? 

Er is inmiddels contact tussen de gemeente  en 43 stagebedrijven en een aantal overige bedrijven om te kijken of die bedrijven  betaald werk kunnen bieden aan mensen in de bijstand en dus ook aan  statushouders in de bijstand.

Dat contact verloopt op allerlei manieren:  via jobcoaches, de industriele kring, bedrijfscontactpersonen, wethouders. Aanvankelijk zitten bedrijven soms niet te wachten op het in dienst nemen van allochtonen, omdat men bang is dat taalproblemen en cultuurverschillen misschien wat te veel extra begeleiding kunnen gaan kosten. De gemeente probeert dan subsidiegelden te bemachtigen om die extra begeleiding  te bekostigen. Hoe meer succes een project heeft, hoe meer subsisidieaanvragen beloond worden.

Is het altijd eenduidig wat er  vanuit de gemeente moet gebeuren? 

Bij elke statushouder spelen er voor de gemeente twee aspecten: er is het individuele aspect: hoe gaat het met iemand, wat kan iemand, wat wil iemand. En er is het economische  aspect: gemeentegeld kan maar een keer uitgegeven worden. Wat brengt het meeste op? Wat is er mogelijk?

Daarom is het van belang dat gemeenten samen  met de statushouders, met opleidingen, met bedrijven, met welzijnsorganisaties en met vrijwilligers (coaches e.d.) samenwerken om steeds de beste middenweg te vinden en het beste maatwerk: een weg die zowel past bij de individuele statushouder als bij de mogelijkheden die er reeel zijn. Dat kan bij ieder een andere weg zijn.

Dit verhaal is tot stand gekomen na een gesprek tussen Ria Swinkels en Ineke Janssen. De tekst is van Ineke Janssen. Dank je wel Ria voor je medewerking en je informatie. 

Advertenties